Op 11 mei 2026 is door de Stichting Economisch Onderzoek (hierna: SEO) het rapport ‘Evaluatie fiscale regelingen bos-, natuur- en cultuurgrond’ gepubliceerd. SEO evalueerde de werking van een zevental fiscale regelingen inzake bos-, natuur- en cultuurgrond. Dit betreffen de bosbouwvrijstelling, de vrijstelling voor vergoedingen voor bos- en natuurbeheer, de box 3-vrijstelling voor bos en natuur, de vrijstellingen voor kavelruil en herverkaveling, de cultuurgrondvrijstelling en tot slot de natuurgrondvrijstelling.
Naar de mening van de commissie Agro Fiscaal van het RB kan worden geconstateerd dat de evaluatie op onderdelen nogal zwart-wit en naar de mening van het RB ook dikwijls zonder de nodige kennis van en begrip voor de dynamiek van en de toekomstige opgaven voor (de transitie van) het landelijk gebied is uitgevoerd. En dat is volgens het RB een ongewenste ontwikkeling te noemen. Redenen genoeg om het rapport op positief-kritische wijze te beschouwen. Hopelijk biedt deze beschouwing van het RB in het bijgaande rapport met de ondertitel “een ongewenste ontwikkeling voor het landelijk gebied” de nodige inspiratie aan de politiek, die de (eventuele) vervolgstappen naar aanleiding van het rapport zou moeten gaan zetten.
De rode draad uit het SEO-rapport is dat fiscale regelingen voor bos-, natuur- en cultuurgrond steeds nadrukkelijker worden beoordeeld vanuit het Toetsingskader Fiscale Regelingen (TFR) en de begrotingsregels. Dat is begrijpelijk, maar leidt bij grondgebonden regelingen (in dit geval met een specifieke focus op het landelijk gebied) gemakkelijk tot een te smalle beoordeling. De waarde van deze faciliteiten ligt niet altijd in een rechtstreeks meetbare extra hectare bos, natuur of landbouwgrond, maar vaak in het wegnemen van fiscale fricties bij beheer, behoud en ruimtelijke herschikking van grond. Juist daarom verdient behoud door actualisatie van de doelstellingen in veel gevallen de voorkeur boven afschaffing.
Na een analyse van het SEO-rapport concludeert het RB dat de geëvalueerde agro-fiscale vrijstellingen niet moeten worden gezien als achterhaalde uitzonderingen, maar als instrumenten die – mits goed gericht en beter gemotiveerd – kunnen bijdragen aan een toekomstbestendige inrichting van het landelijk gebied. Niet het verdedigen van een regeling uit het verleden, maar het ontwikkelen van een (agro-) fiscaal instrumentarium dat aansluit bij de transitieopgaven in het landelijk gebied moet onzes inziens centraal staan bij verdere stappen naar aanleiding van de uitgevoerde evaluatie.
Wanneer herijking of versobering van bestaande fiscale regelingen tot budgettaire opbrengsten leidt, verdient het onzes inziens overweging deze middelen – ten minste gedeeltelijk – beschikbaar te houden voor de transitie van het landelijk gebied. Daarbij kan worden gedacht aan een langjarig fonds voor groenblauwe diensten, bijvoorbeeld ondergebracht bij het Nationaal Groenfonds. Vanuit dat fonds kunnen de aanleg en het beheer van landschapselementen, langjarige beheervergoedingen en eventuele grondwaardedaling worden gefinancierd. Zo ontstaat een directe samenhang tussen fiscale hervorming en daadwerkelijk handelingsperspectief voor agrariërs en andere grondeigenaren.
Dit nieuwsbericht is in samenwerking met de commissie Agro Fiscaal opgesteld.