Het Register Belastingadviseurs (RB) heeft een reactie gegeven op de internetconsultatie Aanvullende maatregelen tegen dividendstripping, zie deze link.
In het algemeen onderschrijft het RB de onderliggende motivering voor de aanvullende maatregelen tegen dividendstripping. Wel heeft het RB enkele kanttekeningen geplaatst. Deze betreffen met name de mogelijke uitwerking van de voorgestelde maatregelen voor het mkb. Het RB beveelt aan de in te voeren wetgeving op dit terrein zo vorm te geven dat het mkb hiervan geen (onbedoelde) hinder ondervindt.
Zo stelt het RB voor bij de drempel voor toepassing van de maatregelen aan te laten sluiten bij de Europese FASTER-richtlijn van € 100.000 en dat wordt verduidelijkt dat reguliere familievermogensstructuren met beursaandelen zonder arbitragekenmerken niet onder de uitbreiding van “verbonden persoon of lichaam” in maatregel 4 worden gevat. Door maatregel 4 op de juiste wijze in te zetten zou een hogere drempel geen impact moeten hebben daar ‘spreiding binnen de groep’ wordt aangepakt.
Verder geeft het RB aan dat als een maatregel moet worden ingevoerd, het RB vanuit MKB-perspectief de voorkeur heeft voor de Duits-Oostenrijkse maatregel (maatregel 2). Deze maatregel hanteert objectieve, toetsbare criteria (een minimumperiode van 45 dagen rond registratiedatum en 70% economisch belang) die voor adviseurs en cliënten voorspelbaar toepasbaar zijn. De nettorendementbenadering (maatregel 1) bevat met het open begrip “reële waardeveranderingen” een normatief element dat in de praktijk naar verwachting veel discussie zal opleveren
Deze reactie van het RB is opgesteld in samenwerking met de Commissie Internationaal Belastingrecht van het RB.